Ben ik mijn lichaam?
- Eveline van Staalduine
- 13 uur geleden
- 2 minuten om te lezen
Ben ik mijn lichaam? Transgender personen, de Bijbel en de kerk.
Preston Sprinkle, Gideon Hoornaar 2021, 301 blz., € 24,95
Dit boek zal de lezer verrassen door de uiteenlopende analyses en meningen die worden uitgewerkt – en alleen daarom is dit boek al de moeite van het lezen waard.
Aan de ene kant is Sprinkle zeer pastoraal richting transgender personen en moedigt iedere kerk aan om blij te zijn als trans personen zich in hun kerk bevinden, want zijn ervaring is dat zij meestal stilletjes de kerk (en het geloof) verlaten omdat ze zich niet thuis voelen of zelfs ronduit ongewenst. De auteur legt ook uitgebreid uit wat het betekent om trans te zijn en genderdysforie te hebben vanuit de ervaringen van trans personen zelf. Ook laat hij zien dat we het hen in het Westen niet gemakkelijk maken door allerlei stereotypen over mannen en vrouwen uit te dragen: mannen horen zich zo te gedragen en te kleden en vrouwen dus (?) anders. Veel mensen voldoen niet aan de stereotiepe normen, of ze nu trans zijn of niet. Heel sterk zet Sprinkle neer dat stereotypen geen ‘bijbelse voorschriften voor iedereen’ zijn (87) en dat de Bijbel het veel belangrijker vindt ‘dat we Godvrezend zijn, niet stereotiep mannelijk of vrouwelijk’ (87).
Aan de andere kant gaat de auteur er bijna met gestrekt been in, als hij de scheppingsorde bespreekt. Hij hoort duidelijk tot de linkerbovenhoek van het schema uit het afsluitende artikel van Joël Boertjens in dit themanummer. Sprinkle beschouwt ook het lichaam als essentieel voor onze status als beelddrager van God (66) en komt daarbij met een aantal – wat mij betreft – speculatieve uitspraken: door het gebruik van het Hebreeuwse woord tsela (‘rib’ in Genesis 2 en ‘zijkant’ bij de beschrijving van de tempel) wordt het lichaam ‘heilige delen van architectuur’ (70). Jezus wordt wel opgevoerd als iemand die in Matteüs 19:4-5 vanuit ‘de scheppingsorde’ (71) redeneert, maar de auteur gaat voorbij aan het vervolg van datzelfde evangeliehoofdstuk waarin Jezus de eunuch als voorbeeld neemt, hoewel eunuchen duidelijk buiten de scheppingsorde vallen, maar door Gods genade mee mogen doen in zijn koninkrijk.
Kortom, een boek vanuit een sterk scheppingsperspectief maar met een enorm verlangen om trans personen tegemoet te komen in hun mens zijn en in hun nood. Het laat zich samenvatten in twee citaten: ‘Ik geloof dat een doel van discipelschap op lange termijn is dat alle gelovigen zich identificeren met hun biologische geslacht’ (210) als uiteindelijke opdracht aan trans personen, maar met een nog sterkere boodschap aan alle omstanders: ‘we kunnen bijbels gezien nog zo gelijk hebben, maar als we niet liefhebben, hebben we het helemaal mis’ (163).
Eveline van Staalduine-Sulman, hoogleraar Receptiegeschiedenis van de Hebreeuwse Bijbel aan de School voor Religie en Theologie, Vrije Universiteit Amsterdam


Opmerkingen