• Redactie Inspirare

Traumaverwerking door rouwklacht

Bijgewerkt op: 22 apr.

Een exegetische verkenning van Psalm 137


– door Eveline van Staalduine-Sulman –


Bidden bij de klaagmuur

Foto: Anton Mislawsky (Unsplash)


In mijn cursus Hebrew Poetry van dit jaar aan de VU lag de nadruk op psalmen in het pastoraat. We bespraken onder andere Psalm 137 met als uitgangspunt: onder welke omstandigheden mag je je deze psalm toe-eigenen? We lazen daarover verschillende artikelen, die elk op een eigen manier deze psalm toepassen op het huidige leven. In de discussie zetten we vraagtekens en uitroeptekens bij de artikelen. Deze exegetische verkenning is gedeeltelijk een weergave van onze bespreking. [1]


Een eigen(zinnige) vertaling

De psalm is vrij eenvoudig in strofen in te delen, omdat elke strofe een andere spreker kent en meestal ook een andere aangesprokene.[1]

Psalm 137

Wie spreekt tot wie?

1 Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij ons Sion herinnerden. 2 Aan de wilgen in de stad hingen wij onze harpen.

Wij

​3 Want daar vroegen aan ons onze bewakers om teksten van een lied en onze spotters om blijdschap: ‘Zingt voor ons uit de Sionsliederen!’ 4 Hoe zouden wij een lied van de Heer zingen op vreemde grond?!

Zij tot ons




Wij

​5 Als ik jou vergeet, Jeruzalem, dan vergeet mijn rechterhand… 6 mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, als ik jou niet herinner, als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen boven mijn hoogste blijdschap!

Ik tot Jeruzalem

7 Herinner, o Heer, aan de kinderen van Edom de dag van Jeruzalem, toen zij zeiden: ‘Haal neer! Haal neer, tot op haar fundament!’

Tot de Heer

8 Dochter Babel, jij verwoeste, gelukkig is wie jou vergeldt jouw handelen, waarmee je ons behandelde! 9 Gelukkig is wie vastpakt en vermorzelt jouw kinderen tegen de rots!

Tot Babel

De omschrijving van Babel in vers 8 levert nogal wat discussie op: de vocalisatie van de Masoreten suggereert dat Babel ‘verwoest’ is, maar veel commentaren lezen liever met de oude vertalingen van Symmachus en de Targum een actief woord: Babel, de verwoester. Ik sluit me hier aan bij de Masoretische interpretatie en dat heeft consequenties voor de datering van de psalm. Als Babel inderdaad verwoest is, dan is deze psalm geschreven na 539 v.Chr. De schrijver blikt, waarschijnlijk naar aanleiding van (het bericht van) Babels val, terug naar de tijd dat Israëlieten daar gevangen zaten. Dat strookt met de afstand die de auteur benadrukt door tweemaal het woord ‘daar’ te gebruiken (vs. 1 en 3). De auteur is zelf inmiddels niet meer daar, in Babel, maar waarschijnlijk terug in het eveneens verwoeste Jeruzalem met de tempel in puin. [2]

Een klaaglied

De vertaling heeft ook consequenties voor de uitleg van de psalm, want terecht stelt Kraus de vraag: ‘Moet werkelijk worden aangenomen dat hier in de vorm van een “ballade” een episode uit Israëls geschiedenis wordt verteld?’[[3] Nee, het is geen ballade, het is een klaaglied om een verwoeste stad. Even lijkt het erop, dat er een klaaglied over de stad Babel wordt aangeheven: ‘daar zaten wij, ook weenden wij, als wij ons herinnerden…’, maar de naam Babel wordt niet ingevuld, maar juist Sion. Het genre van het klaaglied [4] over een stad wordt gebruikt om de verwoesting van Babel te vieren en de eerdere verwoesting van Jeruzalem te gedenken. Nee, het is geen ballade, het is het verwerken van een trauma nadat een deel van de veroveraars van Jeruzalem hun eigen stad hebben verloren. Een ander deel van de plunderaars, de Edomieten, gaat nog vrijuit. Die worden in het gebed genoemd (vs. 7). Het vernemen van bestraffing is onderdeel van het verwerken van een trauma, zoals dat nu nog steeds gebeurt als slachtoffers horen dat de daders gestraft worden voor hun misdaden. [5]


Verwerking door het vernemen van de straf aan daders speelt een grotere rol in deze psalm dan alleen in de laatste verzen, waar letterlijk uitgesproken wordt dat iemand Babel mag aandoen wat Babel Jeruzalem heeft aangedaan. Het feit alleen al dat een lied over het verwoeste Babel wordt aangeheven, is een rechtstreekse vergelding voor de vernederende vraag van de bewakers die vroegen om een lied en om vrolijkheid (vs. 3). Toen konden de Judeeërs dat niet, nu wel. De spot die zowel de Babyloniërs (vs. 3) als de Edomieten (vs. 7) ten toon spreidden, wordt nu beantwoord met gebeden en spottende ‘zaligsprekingen’ (vs. 7 en 8-9) over diezelfde Babyloniërs en Edomieten. Het lied zelf is daarmee een vervulling van de vraag om anderen aan te doen wat de schrijvers is aangedaan. [6]


Verder gaat de psalm niet: het blijft bij woorden. Over degenen die Babel plunderden, wordt een zaligspreking uitgesproken, over de Edomieten een gebed om vergelding van hun aandeel in de verwoesting van Jeruzalem, terwijl zij toch een broedervolk waren. Obadja sprak al het oordeel over Edom uit ‘vanwege het geweld tegen uw broeder Jakob’ (Obad. vs. 10), juist op de dag van de verwoesting van Jeruzalem. Toen was Edom ‘als een van hen’ (Obad. vs. 11), als een van degenen die de stad verwoestten en haar inwoners wegvoerden.[[7] Eenzelfde soort vervloeking werd eerder al in Klaagliederen uitgesproken: ‘De beker zal ook bij u langskomen: u zult dronken worden en ontbloot worden’ (Klaagl. 4:21). [8] Het oordeel wordt in alle gevallen aan God overgelaten en niet zelf voltrokken. Het geheel staat dan ook in het kader van Gods verbond met Israël, dat begon met Gods belofte van trouw aan Abraham en zijn nageslacht: ‘Ik zal zegenen wie u zegenen en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken’ (Gen. 12:3). [9]


Het middelste couplet is van een heel andere soort. Daar spreekt de auteur een vervloeking over zichzelf uit. [10] Als hij Jeruzalem zou vergeten, dan mogen er twee dingen met hem gebeuren: zijn rechterhand mag vergeten hoe de harp te bespelen en zijn tong mag aan zijn gehemelte kleven om nooit meer te kunnen zingen. Jeruzalem hoort de hoogste prioriteit te krijgen in zijn denken. Het woord ‘gedenken’ is geladen: het is niet alleen een parallel van ‘niet vergeten’, maar herinnert ook aan het gedenken van de sabbatdag en de grote daden Gods tijdens de feestdagen. Het woord haakt dan ook aan bij de aanduiding ‘Sion’ in het begin, de berg Sion waarop de tempel is gebouwd en waar God werd vereerd. De ballingschap was niet alleen leven in den vreemde, maar gaf ook een gevoel van religieuze verlatenheid: ‘Hoe zouden wij een lied van de HEER zingen op vreemde grond!’


Gebruik en toepassingen

Psalm 137 wordt regelmatig gedeeltelijk of in zijn geheel gereciteerd in Joodse kringen. Op bruiloften worden vers 5-6 gereciteerd om de herinnering aan Jeruzalem levend te houden, zoals elke Pesach-maaltijd eindigt met het ‘volgend jaar in Jeruzalem’. De psalm hoort ook bij de grote vasten op Tisha B’Av, de negende dag van de maand Av, waarop de verwoesting van de tempel wordt herdacht. [11] Op die dag worden echter veel meer rampen die het joodse volk zijn aangedaan, herdacht, zoals de verdrijving van de joden uit Engeland in 1290 en uit Spanje in 1492. [12] Dit gebruik van Psalm 137 sluit nauw aan bij de woorden van de psalm zelf, omdat de verwoesting van Jeruzalem en de tempel centrale thema’s zijn in de psalm en in deze vastendag, al staat de verwoesting van Jeruzalem ook symbool voor nieuwe rampspoed die het Joodse volk in de loop van de geschiedenis heeft getroffen. [13]


De focus van deze psalm op het concrete Jeruzalem, de herinnering aan de ballingschap en de traumatische ervaringen van de Judeeërs toen en de Joden later deden ons, christelijke studenten en docent, aarzelen om deze psalm toe te passen in onze eigen pastorale setting. Wat hadden wij nu eigenlijk meegemaakt dat vergelijkbaar was met de verwoesting van Jeruzalem en de deportatie naar en ballingschap in Babylonië? Indien wij enige tegenslag uit ons leven daarmee zouden willen vergelijken, zou dat de zwaarte van die ballingschap minachten, zoals snelle vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog in onze tijd afbreuk doet aan de enormiteit van het lijden en de miljoenen doden in de concentratiekampen. [14] We vroegen ons af onder welke condities een toepassing wél zou kunnen of dat we deze psalm moesten laten staan in de geschiedenis van Israël zonder directe toepassing, hooguit indirect als wilde takken die geënt zijn op Gods olijfboom (Rom. 11:24-32). We wilden in ieder geval niet de psalmist veroordelen als slecht of overdreven, alsof wij als christenen een betere houding zouden hebben ten opzichte van onze vijanden: enige nederigheid is geboden (Rom. 11:18). Als wij direct zouden komen aanzetten met het vergeven van vijanden, dan nemen we de traumatische ervaring niet serieus. [15] Dan zetten we de slachtoffers neer als slecht, want niet vergevend, en de daders worden slachtoffers van de slechte houding van de psalmist. We wilden eerder de vraag stellen: hoe erg hebben de daders huisgehouden, dat iemand die in God gelooft, zich zó uit in lied en gebed? [16]


We kwamen op het idee om de psalm te koppelen aan twee thema’s: geweld en trauma. Als iemand door excessief of structureel geweld – fysiek of psychologisch – getraumatiseerd is geraakt, kan deze psalm dienen als middel om zich te uiten, om zich mee te identificeren of om daardoor getroost te worden. Deze psalm is namelijk een psalm van diepe ‘desoriëntatie’, een term gemunt door Walter Brueggemann in zijn artikelen en boeken over de psalmen. Sommige psalmen spreken van een oriëntatie op God of op het leven met Hem, andere van desoriëntatie of heroriëntatie, omdat een gebeurtenis in het leven de oriëntatie op God zwaar heeft verstoord en er opnieuw een houding moet worden gevonden ten opzichte van Hem. Dan worden er vragen gesteld, waarop nog geen antwoord komt, maar die wel uiting geven aan het gevoel alleen gelaten te zijn – door God of door de medemens. [17] We vonden een dergelijke situatie in drie artikelen geschetst. Graag presenteer ik die ook in deze verkenning:


Vluchtelingen als moderne ballingen

Hyeokil Kwon schreef een artikel over Psalm 137 in verband met Koreanen die door de Japanse bezetting (1910-1945), de Koreaanse oorlog (1950-1953) en de verwarrende tijden daarna hun land waren ontvlucht en nu in ballingschap leven. Intussen leeft eenzesde van de Koreanen buiten de beide Koreaanse landen. [18] Kwon ziet verschillende aanknopingspunten met de situatie van de Judeeërs in Psalm 137. Er is sprake van doorgaand lijden door gebrek aan eigen identiteit in andere landen dan het vaderland. Het klaaglied is ook een genre dat onder Koreanen bekend en in zekere zin ook geliefd is. Psalm 137 kan deze Koreanen helpen om hun gevoelens van heimwee en gebrekkige identiteit onder woorden te brengen, deze gevoelens te brengen voor Gods aangezicht om Hem eraan te herinneren en uiteindelijk te worden bevrijd van de last van hun eigen herinneringen. [19] Juist het onder ogen zien van het eigen lijden leert ook het lijden van anderen te zien in soortgelijke omstandigheden, is Kwons conclusie. [20] Eén student merkte nog wel op dat – met alle overeenkomsten die hij zag en erkende – de psalmist nog een spade dieper had geleden, omdat de verwoesting van de tempel een teken leek te zijn van het einde van Gods verbond met Israël. Dat aspect was niet van toepassing op christelijke vluchtelingen, omdat zij toch per definitie geen blijvende stad hebben, maar de toekomende zoeken (Hebr. 13:14).


Black Lives Matter

Esay McCaulley besteedt in een boek een heel hoofdstuk aan Psalm 137 in verband met de geschiedenis van zwarten in de Verenigde Staten. De geschiedenis van de slavernij, waarin Afrikanen tot bezit werden gemaakt en waarin families uit elkaar gescheurd zijn, is op zich al aanleiding tot identificatie met het volk Israël uit de ballingschap. [21] ‘We hebben geen archief met de psalmen die deze zwarte moeders en vaders hebben opgesteld, maar we hebben wel de psalmen van de overlevenden van Israël,’ zo identificeert McCaulley de zwarte geschiedenis met Psalm 137. [22] De rest van hun geschiedenis, doorspekt met racisme, achterstelling en doorgaand (politie)geweld, zorgt voor een woede binnen de zwarte bevolking van de VS die zijn weerga niet kent. En toch wordt van hen gevraagd hun emoties in te houden en alles met een glimlach te aanvaarden, zoals de Babyloniërs eisten dat de Israëlieten zongen en blijdschap toonden in hun plaats van gevangenschap. Van de psalm leert McCaulley dat weigering in zo’n geval gerechtvaardigd is en de herinnering aan het trauma zelfs een opdracht: ‘It is the duty of survivors to remember.’ [23] Aan de ene kant leert Psalm 137 ons dat we onze trauma’s bij God kunnen brengen en eerlijk kunnen zeggen wat we voelen: we kunnen erop vertrouwen dat God die emoties wel aankan. Aan de andere kant kwam Psalm 137 in de canon, omdat God ons wil tonen wat de zwakken aangedaan kan worden: God maakt Israëls probleem ook ons probleem en wil ervoor waarschuwen dat dit soort trauma niet herhaald hoort te worden. [24]


Posttraumatisch stresssyndroom

Glenn Harris vertelt een verhaal van een hulpverlener, die in Somalië voedselpakketten uitdeelde in het kader van een humanitaire missie, toen de uitdeelpost overvallen werd door een gewapende bende. De hulpverleners konden op tijd wegkomen, maar deze man zag nog net hoe de vrouw die hij net van voedsel had voorzien, werd afgeslacht door een bendelid. Die gebeurtenis en het machteloze gevoel daarbij bezorgden hem PTSS met daarbij de vraag of God wel voldeed aan het beeld dat hij van huis uit over Hem had meegekregen. [25] Harris las als geestelijk verzorger Psalm 13 met de hulpverlener, maar het had net zo goed Psalm 137 kunnen zijn. Het ging Harris erom, dat de man eerlijk zijn woede en frustratie tegenover God zou durven uiten en dat hij zijn kinderlijke opvatting over gebed zou veranderen. Gebed is niet een eerbiedig toespraakje vol beleefdheden en een paar voorzichtige vragen, maar kan juist een manier zijn om een ingewikkelde kluwen aan emoties te uiten en te ontwarren, en de ziel te ontdoen van de neiging tot wraak door de situatie bij God neer te leggen en daar te laten. [26] Klaagpsalmen en wraakpsalmen zijn Gods geschenk aan ons voor barre tijden. Zij schenken ons een taal om onze pijn en frustratie te uiten, de zekerheid dat God ook ons lichamelijk en sterfelijk leven serieus neemt, de toestemming om te rouwen en te protesteren, solidariteit met anderen die lijden en de mogelijkheid om het verlangen naar wraak af te leggen. [27]


En die laatste verzen dan?

De drie artikelen leren ons dat de roep om wraak en de hoop op vergelding – inclusief het laatste vers – integraal onderdeel zijn van Psalm 137. Zonder die verzen zou de dichter zijn ellende alsnog moeten opkroppen zonder mogelijkheid bevrijd te worden van deze donkere kant van het menselijk bestaan. Zonder die verzen zou de dichter een gebed vol beleefheden formuleren zonder de mogelijkheid God aan te spreken op zijn gerechtigheid. Want een schreeuw om gerechtigheid is het, zoals ook het einde van Psalm 58 betuigt na alle vragen om het vergaan van al het kwaad: ‘De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!’ (HSV). Het is die schreeuw om gerechtigheid die ook klinkt in Openbaring 6:10: ‘Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?’ Al die gebeden, van de onderdrukten op de aarde tot aan de gebeden van de gestorven martelaren, worden door een engel – als waren zij reukwerk – op het altaar voor Gods aangezicht gebracht (Openb. 8:3-4). In deze sfeer vertaalt ook Targoem Psalmen, de Joods Aramese vertaling van het psalter, Psalm 137. De Targoem laat de uitspraken van de psalm overnemen door de engelen, die de vraag om gerechtigheid overbrengen aan God zelf:


7 Michaël, de prins van Jeruzalem, zei: ‘Herinner, o Heer, aan het volk van Edom de dag dat zij Jeruzalem verwoestten…’

8 Gabriël, de prins van Sion, zei tot het Babylonische volk, de plunderaar: ‘Gelukkig is wie jou vergeldt voor het slechte handelen…’ [28]


De tekst blijft staan, maar de vergelding wordt aan God overgelaten (Deut. 32:35; Rom. 12:19). [29]


Tot slot een ernstige overweging van een student op mijn vraag: ‘Met wie zou je je kunnen identificeren in deze psalm?’ Hij antwoordde met een wedervraag: ‘Wat als wij nu eens die kinderen zijn uit het laatste vers?’ Hij stelde die vraag naar aanleiding van het boek van McCaulley: wij verhandelen nu in Nederland geen slaven meer, maar we zijn wel de nakomelingen van generaties slavenhandelaren. Wat als die tot slaaf gemaakte vaders of moeders Psalm 137 op hun lippen hebben gehad en die laatste vervloeking over Nederlanders hebben uitgesproken? Deze lijn kunnen we doortrekken naar het joodse volk: in de kerkgeschiedenis hebben christenen nogal eens triomfantelijk gedaan over de val van Jeruzalem [30] om over alle verdrijvingen, kruistochten en pogroms maar te zwijgen. Wat als de joden van die tijden Psalm 137 op hun lippen hebben gehad – of nog steeds hebben – en de vloek over Edom in feite interpreteerden als een vloek over hun broeder-religie? Het ligt voor de hand, want Edom is in bijna heel de geschiedenis van het Jodendom geïdentificeerd met Rome en daarmee met het christelijke machtscentrum in Rome. [31] Wat als wij de zonen van Edom zijn in deze psalm? Deze vraag mag ons tot nederigheid stemmen en ons doen afvragen hoe wij deel hebben aan de schuld van het voorgeslacht.


Ik eindig met een positieve gedachte daarover van Malka Simkovich:

Perhaps the most significant aspect of the rabbinic association of Esau with Rome and Christianity is that when we last see Esau in the Hebrew Bible, he has reconciled with his brother Jacob, and they live near one another, if not among one another, in peace. [32]

Eveline van Staalduine-Sulman is hoogleraar Receptiegeschiedenis van de Hebreeuwse Bijbel in de Oudheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam. E-mail: e.van.staalduine-sulman@vu.nl.



[1] Deze vertaling volgt de indeling van J.P. Fokkelman, The Psalms in Form (Leiden: Deo Publishing, 2002), 142. De vertaling is een eigen vertaling, enigszins gebaseerd op de HSV.

[2] Zo Abraham Cohen, The Psalms, 447, aangehaald in Susan Gillingham, ‘The Psalms Then and Now: “Reception History” as a Way of Seeing and Hearing the Psalms,’ Proceedings of the Irish Biblical Association 39 (2016), 1-16, m.n. 5, noot 8.

[3] Hans-Joachim Kraus, Psalmen II (BKAT, 15; Neukirchen: Neukirchener Verlag, 1960), 905.

[4] Gillingham, ‘The Psalms Then and Now’, 3, wijst erop, dat de klagende klank ‘oe’ veel voorkomt in vers 1-4, en dat de uitroep ‘Hoe…?!’ ook wijst op een klaaglied (zie Klaagl. 1:1 en 2 Sam. 1:19). Mitchell Dahood, Psalm III: 101-150 (The Anchor Bible, 17A; New York: Doubleday, 1970), 269 wijst erop, dat ook het zitten op de grond een gewoonte bij rouw en klacht was in het oude Nabije Oosten.

[5] Een voorbeeld werd genoemd in de NRC (2 december 2021) in het artikel ‘Erkenning genocide biedt Jezidi’s troost’, waarin de Duitse psycholoog Jan Kizilhan (na het vonnis van de Duitse rechtbank over een IS-dader die voor genocide was veroordeeld) uitsprak: ‘Gisteren sprak ik verscheidene van de 1.100 jezidi-vrouwen met een post-traumatische stoornis die ik voor behandeling naar Duitsland haalde… Ze waren blij en zeiden: fijn dat ons nieuwe land aan ons denkt en ons steunt.’

[6] Zo Gillingham, ‘The Psalms Then and Now,’ 4.

[7] Amos 1:11 wijst Edom er al veel eerder op, dat er vergelding komt ‘omdat hij zijn broeder met het zwaard achtervolgd heeft’.

[8] Krause, Psalmen II, 907 verwijst verder nog naar Ezechiël 35, waar ook Edoms aandeel in de ondergang van Juda wordt genoemd als basis voor het oordeel.

[9] James Hely Hutchinson, ‘The Psalms and Praise,’ in: Philip S. Johnston & David G. Firth, Interpreting the Psalms: Issues and Approaches (Downers Grove: IVP Academic, 2005), 85-100, m.n. 98.

[10] Zie Krause, Psalmen II, 907, die ook verwijst naar Psalm 7:4-6 en Job 31:22 waarin de auteur zichzelf vervloekt.

[11] Zie bijvoorbeeld Yehonatan Chapman, ‘Tisha b’Av (Psalms),’ http://hitzeiyehonatan.blogspot.com/2006/07/tisha-bav-psalms.html (16 december 2021).

[12] Petra van der Zande, Remember, Observe, Rejoice: A Guide to the Jewish Feasts, Holidays, Memorial Days and Events (Jerusalam: TsurTsina, 2017), 53. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Tisha B’Av vlak na de Tweede Wereldoorlog ook her en der werd gebruikt om de Shoa te gedenken, totdat er in 1951 een aparte Yom HaShoa (dag van de Shoa) werd vastgesteld op de 27e Nissan, zoals blijkt uit de geschiedenis beschreven in Hasia R. Diner, We Remember with Reverence and Love: American Jews and the Myth of Silence after the Holocause, 1945-1962 (New York: University Press, 2009), 54.

[13] Gilllingham, ‘The Psalms Now and Then’, 5: ‘The main emphasis in Jewish exegesis has been to take the complete psalm as an entire poetic drama—a kind of ‘meta-narrative’ whereby the whole community, past and present, might focus their faith and identity on Jerusalem.’

[14] Dit is ook precies de argumentatie achter de aanklacht van het CIDI en het CJO tegen Thierry Baudet, die ongevaccineerden nu vergelijkt met Joden toen: ‘Hiermee bagatelliseert hij de Holocaust.’ Zie ‘Joodse organisaties spannen zaak aan tegen FVD-leider Baudet,’ Algemeen Dagblad, 7 december 2021. De rechter is in deze argumentatie meegegaan op 15 december 2021. https://www.ad.nl/politiek/joodse-organisaties-spannen-zaak-aan-tegen-fvd-leider-baudet~ab604f39/

[15] Tegen H.A. Visser, De Psalmen in onze tijd: het altijd jonge lied (Zoetermeeer: Boekencentrum, 1991), deel 6, 140, die de tekst van de psalm ‘verwerpelijk’ noemt.

[16] Naar aanleiding van de vraag die Esau McCaulley, Reading While Black: African American Biblical Interpretation as an Exercise in Hope (Downers Grove: IVP Academic, 2020), 126, stelt: ‘In response I ask, what kind of prayer would you expect Israel to pray after watching the murder of their children and the destruction of their families?’

[17] Logan C. Jones, ‘The Psalms of Lament and the Transformation of Sorrow,’ The Journal of Pastoral Care & Counseling 61 (2007), 47-58.

[18] Hyeokil Kwon, ‘Remembrance, Nonidentity, and Lament: A Reading of Psalm 137 for Liberation from the Unfinished Suffering of Colonization’, Korean Journal of Christian Studies 81 (2012), 59-77 m.n. 68.

[19] Kwon, ‘Remembrance’, 68-73.

[20] Kwon, ‘Remembrance’, 74, verwijzend naar Theodor W. Adorno, Hermeneutics of Suffering.

[21] Esau McCaulley, Reading While Black: African American Biblical Interpretation as an Exercise in Hope (Downers Grove: IVP Academic, 2020), 120.

[22] McCaulley, Reading While Black, 124.

[23] McCaulley, Reading While Black, 125.

[24] McCaulley, Reading While Black, 126-127.

[25] Glenn Harris, ‘A Wounded Warrior Looks at Psalm 13,’ The Journal of Pastoral Theology 63.4 (2010), 1-2.

[26] Harris, ‘A Wounded Warror,’ 2.

[27] Uit Daniel L. Migliore, Arguing with God: Resistance and Relinquishment in the Life of Faith (Kamper oraties 18; Kampen: Theologische Universiteit van de GKN, 2001), 11-14.

[28] Zie voor een complete vertaling van Targum Psalm 137, David M. Stec, The Targum of Psalms (The Aramaic Bible, 16; Collegeville MI: Liturgucal Press, 2004), 231.

[29] Wel moet bedacht worden dat de roep om wraak in sommige kringen gemakkelijker aanvaard wordt dan in andere kringen. Andrew Mein, ‘Bishops, Baby-Killers and Broken Teeth: Psalm 58 and the Air War,’ Journal of Bible Reception 4.2 (2017), 207-223, merkt dit verschil op tussen de Anglicaanse elite die Psalm 58 totaal uit de liturgie wilde schrappen, en sommige leken die Psalm 58 graag gebruikten tijdens de gruwelijkheden in de Eerste Wereldoorlog.

[30] Gillingham, ‘The Psalms Then and Now,’ 6.

[31] Malka Z. Simkovich, ‘Esau the Ancestor of Rome,’ https://www.thetorah.com/article/esau-the-ancestor-of-rome (16 december 2021). Dezelfde gedachten spelen een rol in John Goldingay, Do We Need the New Testament: Letting the Old Testament Speak for Itself (Madison: InterVarsity Press, 2015), 114.

[32] Simkovich, ‘Esau the Ancestor of Rome,’ laatste alinea.

7 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven