• Redactie Inspirare

Recensie Christian Faith and the Making of Europe Yesterday and Today

Christian Faith and the Making of Europe Yesterday and Today. Evert van de Poll, VTR Publications Nürnberg 2nd revised edition 2021, 418 blz., € 24,99


Evert Van de Poll is voorganger binnen de Federatie van Franse Baptistengemeenten, woont in Nîmes (Frankrijk), en is Professor of Religious Studies and Missiology aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven (België). Van de Poll heeft diverse boeken over zending op zijn naam, waaronder Europe and the Gospel: Past Influence, Current Developments, Mission Challenges (2013) en Church Planting in Europe: Connecting to Society, Learning from Experience (2015). Dit boek is de tweede en herziene editie van het gelijknamige boek dat een jaar eerder verscheen. De titel neemt de lezer mee naar de christelijke wortels van Europa, een thematiek die uiterst actueel is en waarover binnen de academische wereld veel is gepubliceerd. Van de Poll ziet zichzelf als een generalist, niet als een specialist, op dit gebied, maar vindt dat juist de synthese van generalisten kan helpen om door de bomen heen het bos te kunnen blijven zien.


De opzet van het boek is een cultuurhistorische verkenning van de rol die het christendom speelde, en nog altijd speelt, in ‘the making of Europe’. En hier ligt al direct een forse vraag, want hoe is ‘the making’ van het conglomeraat Europa te duiden? Hoe komt zoiets als Europa tot stand, wat is het en waar wordt dit aan gemeten? Van de Poll wil onbevooroordeeld (‘without prejudice’) kijken naar een selectie fragmenten uit Europa’s geschiedenis en haar sociaal-politieke erfenis (deel 1). Vervolgens bespreekt hij twee ingrijpende veranderingen (deel 2) die als ‘moments of grace’ worden geïntroduceerd, namelijk de vorming van een verenigd Europa na de Tweede Wereldoorlog en de val van het IJzeren Gordijn en het communistische bolwerk in Oost-Europa in de jaren 1889-1991. Tenslotte kijkt Van de Poll naar de wijze waarop Europa seculariseert. Wat is die secularisatie en welk effect hebben deze sociaalreligieuze veranderingen op de staat waarin het christendom zich in een diversiteit van landen en culturen in Europa bevindt (deel 3)?


Deel 1 (hfst. 1-10) biedt een scala aan historische doorkijkjes, vaak essayachtig, met heldere structuur en conclusies. Boeiend om te lezen, maar de duiding hiervan is niet altijd overtuigend. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het gegeven dat veel in korte tijd besproken wordt. Over de christelijke wortels van Europa (hfst. 5) gaat Van de Poll kort door de bocht, omdat hij geen religiewetenschappelijke discussie geeft over de verschillen tussen Jodendom, christendom, Romeinse, Griekse, Germaanse, Scandinavische, Slowaakse e.a. religievormen, wat de complexiteiten van die vergelijkingen zijn en tot welke tussenvormen die in de loop van de vroege en latere middeleeuwen hebben geleid. Miskotte heeft in Nederland onvermoeid erop gewezen dat het heidendom West-Europeanen dierbaar is en dat onze vormen van christendom veelal klatergoud zijn: krab er met de nagel iets vanaf en het heidendom staart je tegemoet. Deze discussie, die veelal een fenomenologisch karakter heeft, laat Van de Poll achterwege.


Over de christelijke erfenis in Europa (hfst. 6) kan hetzelfde worden gezegd. Van de Poll eindigt met te constateren dat het moeilijk te zeggen is of alle waarden die Europa min of meer verbinden van christelijke oorsprong zijn, maar dat zij ‘incognito’ op alle niveaus operatief zijn. Dit is te gemakkelijk. Waarom geen discussie over Taylors Sources of the Self, en over Aristoteles’ ethiek en de wijze waarop menselijke deugdenethiek zich op alle niveaus van de menselijke soort vertakt en verbindt, waardoor er nationale en internationale afspraken gemaakt kunnen worden, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (op p. 193, 195 komt deze pas ter sprake), of The Four Freedoms of Roosevelt, of The Four Freedoms of the EU?


Het hoofdstuk over ‘tarwe en onkruid’ (hfst. 7), over Europa’s eer en schaamte, haar koloniale verleden, haar uitingen van antisemitisme, had een boek op zich kunnen zijn, omdat ook hier de conclusie over een buitengewoon lastige vraag gaat die op maar twee pagina’s theologisch worden beantwoord (‘theological interpretation’, pp. 169-170), namelijk met de verwijzing naar de gelijkenis over tarwe en onkruid (Mt. 13). De kwesties kolonialisme en antisemitisme, zeker anno nu, mogen dieper gaan dan verwijzen naar deze metafoor. In de hoofdstukken 8 over radicale protestanten en mensenrechten, 9 over kerk en staat, 10 over wetenschap en christendom, komen eveneens grote thema’s aan de orde, waarbij de complexiteit van de historische reconstructie al een issue op zich is (Constantinianisme, doperdom, alleen al de persoonlijkheden van John Smyth en Thomas Helwys), en waarbij te snel naar conclusies wordt toegewerkt. Waarom vindt in deze hoofdstukken geen discussie plaats met experts? Bijvoorbeeld, waarom in hoofdstuk 9 geen discussie met Stefan Paas, een van de ‘leading voices’ op dit moment over Europees secularisme, kerk en politiek, en kenner van vrije kerken (zie zijn boek Vrede stichten)? Nergens wordt naar Paas verwezen, ook niet in de lijst van gebruikte bibliografie.


In deel 2 (hfst. 11-12) bespreekt Van de Poll ‘moments of grace’ die de geest van Europa mede hebben gevormd, de vereniging van Europa na de Tweede Wereldoorlog en de val van het communistische Oostblok einde jaren ’80. Het spreekt voor zich dat dit een eigen duiding van Van de Poll is en dat deze ‘weging’ niet uit beide geschiedenissen zelf voortkomt. Voor zover dit een theologische duiding is, zou de discussie over het werk van de Heilige Geest en Europa moeten gaan, denk ik. Zie bijvoorbeeld Erik Borgman, Kees van der Kooi, Akke van der Kooi, Govert Buijs (eds), De werking van de Heilige Geest in de Europese cultuur en traditie (Kampen: Kok, 2008). Verder ontbreekt het werk van Tomáš Halík, die uitvoerig heeft gereflecteerd op de wijze waarop de kerken onder het communistische regiem aan de bevrijding hebben meegewerkt. Voor geestelijke duiding in dit opzicht was een hoofdstuk over de Geest en cultuurkritiek op zijn plaats geweest.


Deel 3 gaat over de staat van het christelijk geloof in Europa vandaag. Alleen al op grond van deze titel moet het wel bij algemene beschouwingen blijven, want in elk Europees land, en in elke provincie daarbinnen, liggen de zaken meestal anders dan algemene uitspraken doen vermoeden. Als in algemene termen over christelijk geloven in Europa gesproken moet worden, en eveneens over de uitdagingen en bruggen die het evangelie kan slaan, dan was het beter geweest om de analyse tot een theologische te maken en volop in discussie te gaan met een reeks namen.


De sterkte van Van de Polls boek is dat hij echt een ‘bird’s eye view’ als generalist geeft (p. 6) en dat de lezer verbanden in Europa’s geschiedenis met het christelijk geloof gaat zien die doen vermoeden dat het christelijk geloof van betekenis is geweest voor de totstandkoming van een (soort van) Europese eenheid. In deze sterkte ligt direct ook de zwakte, namelijk dat het bij algemene duidingen blijft, waarbij jammer genoeg de discussie met ‘opinion leaders’ ontbreekt. Waar Van de Poll wel naar specialisten en academici verwijst, zoals bij Zygmunt Bauman en Anton Wessels, komt het niet tot een gesprek en blijft het bij één referentie in de index (Wessels is wel in de bibliografische lijst, maar niet in de index).


Henk Bakker, hoogleraar James Wm. McClendon Chair for baptistic and evangelical theologies, VU Amsterdam


12 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven