• Redactie Inspirare

Recensie Ego: Een cultuuranalyse van het ik

Ego. Een cultuuranalyse van het ik. Bram van de Beek, KokBoekencentrum Utrecht 2022, 238 blz., € 20,00


Meestal worden cultuuranalyses en studies over individualisme door menswetenschappers en filosofen geschreven. Bram van de Beek schreef Ego: een cultuuranalyse van het ik als theoloog én bioloog, en het is hem gelukt om op eenvoudige wijze complexe lijnen uit een diversiteit aan disciplines samen te brengen. In korte en rake zinnen wordt de lezer meegenomen in een denkrichting die niet alleen hout snijdt, maar ook tegenreactie oproept. Anders gezegd: de inhoud blijft niet op een afstand, maar schuurt tegen van alles aan, omdat Van de Beek het ook over de lezer zélf heeft.

Het boek bestaat uit twee delen, ‘ik ben dus ik ben’ (hst. 1-8) en ‘Ik ben die Ik ben’ (hst. 9-14), waarbij het eerste deel ook uit twee oriëntaties bestaat: het ‘ik’ op zichzelf (hst. 1-4), en ‘ik en God’ (hst. 5-8). Bij zijn analyse van het ‘ik’ als individu begint Van de Beek met een schets van het wetenschappelijke denken in de achttiende en de negentiende eeuw, de eeuwen van de opkomst van het vrijheidsbeginsel, de eeuwen waarin wetenschap zich loswrikt uit de omhelzing van de kerk, waarin het ‘ik’ zich los-denkt van anderen, en van God. Descartes, Erasmus en ook Spinoza komen langs, van waaruit Van de Beek cultuurontwikkelingen schetst die verklaren waarom wij als Nederlanders behept zijn met vrijheidsidealen, gelijkheidsidealen en een diep wantrouwen naar wetenschappers toe die signaleren, de grenzen aangeven, en naar een overheid die op grond van deze ‘feiten’ wil acteren.

Van de Beek laat zien dat de combinatie van hoge idealen tot tegenstrijdigheden en inconsequenties leidt die inmiddels pijnlijk duidelijk worden en wijzen op een diep sentiment van onverschilligheid binnen onze cultuur, namelijk ‘anything goes’, als ik maar aan mijn eigen waarheid en vrijheid kan vasthouden. Feitelijk leidt die mentaliteit tot een patstelling die verlammend werkt en waardoor problemen en grote vraagstukken waar we voor staan, telkens voor ons uit worden geschoven.

Bijvoorbeeld, enerzijds kan men betutteling door gezagsdragers niet verdragen (overheid, kerk, werkgevers e.a.), maar anderzijds moet er wel worden ingegrepen als de georganiseerde criminaliteit ‘in het gat springt’ dat ontstaat, omdat de gedoogpolitiek te ver is gegaan. Het is vreemd dat wapens niet mogen, tabak wel, en dat energieneutraal wel moet, maar het rijden en vliegen niet echt aan banden wordt gelegd. Kortom, we wringen ons in allerlei ethische bochten om vooral voor de onafhankelijkheid, ja de uniekheid van ons eigen ego op te komen.

Als Van de Beek gaandeweg meer over God spreekt, wordt de toon enigszins anders, omdat Hij Degene is die ‘in het gat’ zou moeten staan en die ons complexe leven omvat. Aanvankelijk gaat het nog om de ‘verkaveling’, de verdeling van de ruimte tussen God en mens (zoals bij de Synode van Dordrecht). Overigens ziet Van de Beek dit gemarchandeer ook binnen hedendaagse evangelische bewegingen, waarbij het gaat om de ruimte van het ‘ik’: hoe groter de megakerk, hoe groter het ‘ik’, want ‘jij’ krijgt al die aandacht, dus moet jij wel belangrijk zijn. Er is geen besef van historische verbondenheid met de Schrift, de kerk van alle tijden en met nut en noodzaak om de kerk als kritische instantie de cultuur binnen te dragen. In die zin lijkt de evangelische beweging op de kerk van Marcion. Al gauw wordt duidelijk dat Van de Beek het opneemt voor herstel van ‘godsdienst’, waarbij niet alleen naar God wordt geluisterd, zoete en troostrijke gebaren worden gemaakt en de juiste zingevingsvragen worden gesteld. Het is hem er met name om te doen de machtsvraag en de vrijheidsvraag opnieuw te stellen om de machten die in de cultuur een rol spelen, uit te dagen en zo mogelijk te kraken.

In deel II gaat Van de Beek in op Gods Naam en laat hij zien hoe Mozes, de profeten en uiteindelijk Jezus cultuurkritische woorden in naam van God spraken. Zij waren uit op gerechtigheid en bestreden onrecht, uitbuiting, marginalisering enzovoort. Maar de vraag is in hoeverre christenen in Nederland deze boodschap leven en kunnen uitdragen als er sprake is van ‘interne repressie’ in de kerk, omdat praktijken en systemen in de weg staan. Van de Beek ziet systemische hindernissen in alle typen van kerken, van zogeheten zware kerken tot vrije en charismatische kerken. Macht, zelfbevestiging, onbestemde angsten en ook geld spelen een grotere rol dan men wil toegeven. Nadat Van de Beek het westerse ‘ik’, gelovig en niet-gelovig, flink bij de lurven heeft gevat, zet hij het af bij Christus. Het ‘ik’ is voor Hem bedoeld, omdat Hij de wereld in zijn verzoening en genade draagt. Het ‘ik’ van de christen is voor alles een gedragen ik, dat niet alleen op Hem terugvalt, maar ook zijn toekomst in Hem vindt. Hij bepaalt de identiteit van de christen.

In beveel dit boek van harte aan, juist vanwege dit laatste. Het boek pakt je, ook bij de kladden, en zet je, na korte messcherpe analyses, bij Christus af.


Henk Bakker, hoogleraar James Wm. McClendon Chair for baptistic and evangelical theologies, VU Amsterdam


47 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven