• Redactie Inspirare

Recensie Morgen wordt alles beter

Morgen wordt alles beter. Mogelijkheden en ethiek van gentechnologie.

Henk Jochemsen en Maarten Verkerk (red.), KokBoekencentrum Utrecht 2020, 234 blz., € 17,99


Het is niet eenvoudig om in één boek zoveel verschillende thema’s bij elkaar te brengen en het is voor de gemiddelde lezer een hele puzzel om die thema’s aan elkaar te denken. Medisch-ethicus Henk Jochemsen en christelijk filosoof Maarten Verkerk deden een poging, bijgestaan door een vijftal medeauteurs en drie actieve meelezers.

Het belangrijkste thema in dit boek is de humane gentechnologie, dus genetische modificatie bij mensen, en dan bij beginnende embryo’s om precies te zijn, oftewel: in de kiembaan. Omdat daar veel onderzoek voor nodig is waarbij menselijke embryo’s verloren gaan, bevat dit boek ook een hoofdstuk (11) over de beschermwaardigheid van het embryo. De conclusie luidt dat met de hoofdstroom van de christelijke traditie moet worden vastgehouden aan de bezieling van het embryo vanaf de bevruchting. Afblijven dus, en niet alleen om die reden. Want gesteld dat die modificatie zou lukken, dan nog weten we niet wat de effecten op de daaruit voortkomende mensen zullen zijn.


De auteurs maken gebruik van de filosofie van Herman Dooyeweerd die aan mensen vier dimensies onderscheidde en volgens wie een wijziging op het ene niveau (lees: het biologische) ook gevolgen kan hebben voor andere niveaus, tot het geestelijke aan toe. Genetische modificatie heeft bovendien ook gevolgen voor de maatschappij als geheel: de maakbaarheid verdringt de dankbaarheid. Menselijk leven dat de ’zegen’ van de modificatie niet heeft mogen meemaken, krijgt gaandeweg een lagere mensenwaarde toegekend (bijv. in hoofdstuk 10). De conclusie is dan ook (althans, zoals ik hem lees): waag je in het geheel niet aan genetische modificatie.


Het boek bevat behalve deze heldere denklijn ook nog veel biologische en historische kennis die waardevol is voor mensen die op die terreinen een informatiebehoefte hebben. Bijvoorbeeld een exposé over hoe het DNA ‘werkt’, over hoe het ingrijpen in het DNA in zijn werk gaat en interviews met enkele leidende wetenschappers op dit terrein. Daarnaast zijn er exposés over de verschillende stadia in de filosofie en de geschiedenis van het denken over de waarde van embryo’s.


Wel is het boek in een aantal opzichten wat verwarrend en ‘teveel van het goede’. Ten eerste worden behalve de humane gentechnologie ook velden bestreken die daar feitelijk alleen maar buren van zijn. Zo wordt een hoofdstuk (8) gewijd aan het thema ‘mensverbetering’ (wat ik trouwens wat minder prestigieus ‘prestatieverbetering’ zou willen noemen) waarin de meeste voorbeelden niet gaan over de genetica, maar over bijvoorbeeld doping in de sport. Een ander hoofdstuk (6) gaat over prenataal onderzoek en de daarmee verbonden mogelijkheden om embryo’s te selecteren en zwangerschappen te beëindigen. Beide hoofdstukken hebben natuurlijk wel te maken met het streven naar het uitbannen van ziekten en het verbeteren van onze prestaties, maar zij hebben weinig tot niets met genetische modificatie te maken.


Het boek wil behalve christenen toerusten, ook het gesprek met andersdenkenden aangaan. Toegegeven, dat is buitengewoon moeilijk. De liberale ethiek heeft zich ontwikkeld tot een bastion van wokeness die ik de laatste jaren toenemend ervaar als een sekte. Denk aan hoe afwijkende meningen worden genegeerd en/of afgebrand. Dat gezegd hebbende, vind ik het boek echter ook voor het gesprek met de genuanceerde critici wel erg antithetisch. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met het prominente gebruik van een aantal vrij extreme science fiction-achtige thrillers als Splice, Gattaca en Frankenstein.


Eigenlijk is ook de titel ietwat overdreven: ‘Morgen wordt alles beter.’ Ik ken geen serieuze genuanceerde voorstanders van humane gentechnologie, afgezien van enkele transhumanisten, die betogen dat morgen alles beter wordt. De meesten willen met die technologie hooguit een aantal ernstige ziekten de wereld uit helpen. Ook een andere tegenstelling vind ik lastig: ‘De moderne mens stelt zijn vertrouwen niet meer op God maar op de menselijke rede en de wetenschap.’ In het vervolg wordt hier kortweg verwezen naar ‘het wetenschappelijke wereldbeeld’. Misschien was het beter geweest om voor die denkwijze termen als ‘reductionistisch wereldbeeld’ of ‘materialistisch wereldbeeld’ te gebruiken. Wás het wereldbeeld van de moderne liberale sekte namelijk maar wetenschappelijk! En lieten christenen die hun vertrouwen terecht op God stellen, zich maar meer in met de wetenschap! Die behoort immers aan God toe.

Wie door deze beperkingen heen leest, heeft in dit boek op het kernterrein – christelijk-ethisch nadenken over humane gentechnologie – desondanks een heel waardevol boek.


Theo Boer, hoogleraar Ethiek van de Gezondheidszorg aan de Protestantse Theologische Universiteit en visiting professor of the history of ethics bij de University of Sunderland

24 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven